Constitutionele toetsing aan hoofdstuk 7 van de Grondwet, een denkoefening
Abstract
Constitutionele toetsing aan hoofdstuk 7 van de Grondwet, een denkoefening Rechterlijke constitutionele toetsing aan institutionele bepalingen wordt soms voorzichtig voorgesteld als middel om de democratische rechtsstaat verder te versterken en de positie van overheid en burger nader te verduidelijken. In deze bijdrage wordt, als gedachte-experiment, nagegaan met welk type vragen en keuzes een rechter geconfronteerd zou worden als hij tot een dergelijke toetsing zou overgaan. Aan de hand van hoofdstuk 7 van de Grondwet, de bepalingen over provincies en gemeenten, wordt onderzocht in hoeverre de daarin opgenomen bepalingen zich voor interpretatie en toepassing door de rechter lenen. Dat blijkt maar zeer beperkt het geval te zijn. De grondwettelijke normen blijken veelal onderling nauw verweven, en soms ook tegenstrijdig. Daarnaast rijzen ingewikkelde vragen omtrent de verhouding tot onder andere organieke wetgeving, en de uitleg daarvan. Als laatste kan de vraag worden gesteld door wie dergelijke abstracte normen eigenlijk zouden kunnen worden ingeroepen en wat dat voor de aard van de toetsing betekent.
Not yet translated